In de diensten in de Stille Week klinken sonnetten uit de bundel ‘In het vlees’ van Roelof ten Napel naast delen van het lijdensverhaal van Jezus van Nazareth. Dat schuurt en schrijnt en werpt een bijzonder licht op het verhaal van Jezus en ons. Indringend en lijfelijk.
Op Witte Donderdag gaat het over gemeenschap. Over de vraag waar je de grenzen daarvan trekt, over waar je bij wil horen en waar niet. Zoals Roelof dicht in Sonnet XCI:
‘ik zoek een samenzijn
dat een grens kent, maar van een andere aard, een van genade bevende lijn’.
Op Goede Vrijdag gaat het over pijn. Kan iemand anders die voor je dragen? Uit Sonnet CXXXIII:
en als ik je geknakte hand zie
begrijp ik, terwijl ik het niet weet,
dat zoiets ook in jou heeft geleefd –
Op Stille Zaterdag is nieuw begin het thema, nieuw licht na het donker. Hoe doe je dat in hemelsnaam, opnieuw beginnen, doorgaan met leven na het ervaren van heftige pijn?
Uit Sonnet I (die als laatste in de bundel staat):
je stak je hoofd uit de tent,
deed je ogen
met moeite
open, en ik vroeg me af
of je zag wat ik zag,
die scherven daar,
verspreid over de grond